Tiendrecht en -heffing
Het tiendrecht was van oorsprong een kerkelijke belasting in natura die de boeren aan de eigenaren van hun land moesten betalen. De grondeigenaren hadden een jaarlijks recht op een evenredig gedeelte van gewassen die op het land groeiden en van de op dat land vertoevende dieren. De tienden van de gewassen die moesten worden afgestaan (vruchttienden), waren onder te verdelen in grove of grote tienden voor vooral tarwe, rogge, gerst en koolzaad, en in kleine of smalle tienden voor onder meer erwten, bonen, gras en hooi.[1] Het tiendrecht voert terug tot aan het offer van Abraham die na zijn overwinning op enkele koningen tienden van zijn buit schonk aan de hogepriester Melchizedek.[3] Voor de eerste christenen gold de tiendplicht nog niet. Allengs waren de vrijwillige gaven niet meer voldoende en daarom begonnen de kerkvaders uit te zien naar vaste financieringsmiddelen voor hun expansiepolitiek. Hierbij viel het oog op de tiendenbelasting. In 764 vaardigde Pepijn van Herstal (de vader van Karel de Grote) een decreet uit dat bepaalde dat voortaan iedereen tiendenbelasting aan de kerk was verschuldigd. Na de kerstening van ons land werd de tiendenbelasting ook hier ingevoerd. Vooral in Zeeland was veel grond tiendplichtig. Hoewel deze vorm van belasting algemeen verspreid was, verschilde de wijze van inning geheel volgens plaatselijk gebruik. Het heffen van de tienden ging op Walcheren als volgt. Voor de verpachting van de landerijen werd de waarde van de tienden getaxeerd. Nadat de tiendplichtigen een opgave hadden gedaan van de door hen gezaaide gewassen, werd de waarschijnlijke waarde geschat door twee deskundigen en de rentmeester. De verwachtingen omtrent de oogst hadden hierop invloed. De gemiddelde marktprijs van het graan in juni van het verlopen jaar was de grondslag om de waarde te berekenen.[5] In de negentiende eeuw kreeg de Polder Walcheren naast het jaarlijkse dijkgeschot dat over alle schotbare landen werd geheven, ook een vijftiende deel van de tienden, ter bekostiging van het beheer van de polder.[6] Walcheren telde indertijd 212 tiendblokken, waarvan de meeste tot de jaren tachtig van de achttiende eeuw toebehoorden aan de Staten van Zeeland. Deze blokken vormden voor de tiendheffers (de grondeigenaren) in feite administratieve eenheden om de tienden van een aantal percelen te beheren. Ter onderscheid hadden deze tiendblokken ieder een naam. De namen verwijzen vaak naar oude bloknamen in de overlopers, naar geestelijke functionarissen of zijn een louter geografische aanduiding. De blokken volgden niet altijd de gemeentegrens; enkele waren 'grensoverschrijdend'. 1 Voor de geschiedenis van de tienden zie Kosters, Het oude tiendrecht, en de aantekeningen van Tack, in: Zeeuws Archief, Collectie P.L. Tack, inv.nr. 8. In Veldnamen Biggekerke-Zoutelande en in Veldnamen Aagtekerke, Domburg, Meliskerke, Oostkapelle en Westkapelle is ook over de tienden en tiendblokken geschreven (resp. pp. 34-39 en pp. 27-34).
2 Bouman, Zeeuwschen landbouw, p. 97. 3 Bijbelboek Genesis hoofdstuk 14 vers 20. 4 ZA, Archief Staten van Zeeland, inv.nr. 1848. 5 Van der Graft, Geschiedenis, p. 98. 6 Tak, Polderbeheer, p. 12 |
![]() |
